Zeer beknopte bron van inspiratie doet verlangen naar meer

Enige tijd geleden las ik het boek Boude bewoordingen van Hub Zwart, een studie naar het leven en denken van de filosoof en maatschappelijk intellectueel Jan Hendrik van den Berg. Zonder dat ik het boek in een vloek en een zucht heb uitgelezen, ik heb de kwalijke gewoonte in minimaal vier boeken tegelijk te lezen, raakte ik bij iedere bladzij die ik las meer in de ban van die wonderlijke figuur Van den Berg en zijn voor mij wonderlijke denkbeelden van de metabletica. Tot mijn schande moet ik bekennen dat vrijwel de gehele denkwereld van Van den Berg nieuw voor me was, pas aan het einde van het boek kwam ik elementen tegen die ik eerder in mijn leven al gelezen had. Maar het inspireerde me geweldig.

Door: Evert te Winkel

Bas Hengstmengel doet in zijn Denken met het hart; Christelijke filosofie in de traditie van Augustinus en Calvijn ongeveer hetzelfde, maar dan met niet minder dan vier denkers: Augustinus, Johannes Calvijn, Abraham Kuyper en Herman Dooyeweerd. Met enige moeite kan Alvin Plantinga als vijfde meegerekend worden, die iets minder uitgebreid besproken wordt.

Van elk van deze denkers geeft Hengstmengel een uiteenzetting van de context waarin hun filosofie en theologie geduid moet worden, een duiding van de persoon als denker, de hoofdpunten van hun filosofie, met daarbij de nadruk op de verhouding tussen geloof en rede, de eventuele goedheid van de mens en de vrije wil, en een korte weergave van hun invloed op latere denkers. De verschillende denkers worden in chronologische volgorde behandeld, waarbij stil wordt gestaan hoe Calvijn zich verhoudt tot de eerder besproken Augustinus (en verder onder meer Thomas van Aquino), Abraham Kuyper wordt daarna weer vergeleken met de Augustinus en Calvijn en zo gaat het verder. De denkers worden op die manier nadrukkelijk in een historische context gezet. Ook met enige nadruk, duidt Hengstmengel de verschillende denkers als theoloog/filosoof (Augustinus), theoloog (Calvijn en Kuyper) of als pure filosoof (Dooyeweerd en Plantinga) en geeft aan hoe dit beïnvloedt hoe wij naar hun teksten moeten kijken.

 Calvinisme en filosofie

De duiding van alle schrijvers doet Hengstmengel weliswaar op een serieuze manier, maar hij maakt het op geen enkel moment saai. Hij citeert veel teksten van de denkers zelf, puntige teksten die direct naar de aard van de zaak wijzen. Die denkers zijn veelal zo fris, zo plezierig om te lezen, dat ik er niet altijd in slaagde om een glimlach te onderdrukken.

De bedoeling van Hengstmengel is om te laten zien dat calvinisme (Hengstmengel spreekt liever van gereformeerde traditie) en filosofie op gezonde wijze hand in hand kunnen gaan, hoe zowel het continentale als het analytische denken van respectievelijk Dooyeweerd en Alvin Plantinga vanuit een beroep op de augustijns-calvinistische traditie beoefend kunnen worden en een kruisbestuiving tussen aanhangers van beide stromingen. Hoewel deze bedoeling door het boek heen soms wat ondersneeuwt, het is ook zoveel informatie, breidt hij dit in slothoofdstuk vijftien uitstekend recht, al helpt het hierbij om het boek in een tamelijk korte tijd uit te lezen. Als je er te lang over doet, ben je de inhoud van de eerste hoofdstukken al gedeeltelijk kwijt, voordat je aan dat uiterst belangrijke hoofdstuk vijftien toe bent.

 Inleiding in hoog tempo

Elk van de besproken denkers verdient een drietal eigen boeken, een enkel boek van 358 pagina’s is bij lange na niet genoeg om hen echt recht te doen. De ruimte om deze filosofen en theologen te bespreken is daardoor heel beperkt, het boek vormt nu veeleer een inleiding op al deze denkers. En vanuit dat perspectief is de vlotheid van het boek zeer te prijzen: het leest als een trein en inspireert mij om de verschillende besproken auteurs nog eens goed te gaan lezen. Nog eens, want geen van de belangrijkste auteurs was voor mij echt nieuw. En als ze dat voor jou wel zijn: Je hebt na het lezen van dit boek een idee van de rijkdom die je bij deze auteurs kan vinden en de noten geven nuttige aanwijzingen om verder te lezen.

Het tempo is voor mensen voor wie Augustinus, Calvijn, Kuyper en vooral Dooyeweerd nog volledig nieuw zijn wel erg hoog. Dooyeweerd is een taaie schrijver met nogal taaie ideeën, zonder enige voorkennis verdwaal je nog gemakkelijk in de rijkdom aan ideeën die Hengstmengel in het boek bespreekt. Ik heb zelf mijn eigen papieren kopie van Dooyeweerds In the Twilight of Western Thought naast Denken met het hart gelegd en waar ik even twijfelde de betoogtrant van Dooyeweerd opnieuw gelezen. (Dat is één van de twee boeken van Dooyeweerd waar Hengstmengel veel naar verwijst, naast het vierdelige A New Critique of Theoretical Thought, hier te downloaden.) Dat maakt het boek een stuk beter te volgen. Ook Abraham Kuypers Lectures on Calvinism, waar Hengstmengel veel uit citeert, heb ik vanwege dit boek herlezen. Door de bril van Hengstmengel begrijp ik zowel Kuyper als Dooyeweerd beter.

Om een boek met mijn benadering goed te kunnen volgen, is het belangrijk om de verwijzingen steeds bij de hand te hebben. Dat is lastig bij dit boek, omdat het gebruik maakt van eindnoten in plaats van van voetnoten. Als ik af en toe een stuk terug wil zoeken, ben ik steeds aan het bladeren. Vooral ook omdat je aan een verwijzing naar een noot niet kan zien of het een verwijzing is of een opmerking of andere relevante of interessante informatie. Ik begrijp dat eindnoten vaak gekozen worden vanuit het oogpunt van de leesbaarheid, maar voor mij zijn ze storend. Als er in een boek gebruik wordt gemaakt van voetnoten zie ik direct of ze waardevol zijn voor mij en dus of ik ze negeren kan. Misschien is het een kwestie van smaak, al weet ik dat er meer lezers zijn die eindnoten als een soort diabolische kwelling zien.

Latijn

Denken met het hart gaat over vijf van de belangrijkste denkers voor protestanten, de meesten vinden met gemak een plaats in de top 10. In dat licht zorgt het boek ook voor een gedegen inleiding in protestants denken, al is het protestantse denken natuurlijk breder en rijker dan in dit boek weergegeven kan worden, en is het protestantse denken natuurlijk veel theologischer van aard.

Duidelijk in de benadering van Hengstmengel en van de opmaak van het boek is dat gekozen is voor leesbaarheid boven precisie. Het boek heeft vaart, overbodige kwesties worden weggelaten, teksten in andere talen dan Nederlands of Engels worden vertaald weergeven en ook de eerder genoemde eindnoten zijn vaak bedoeld om vaart in een boek te houden. Eén kwestie springt er daarom in negatieve zin uit: het gebruik van Latijnse termen. Ik heb in mijn schoolgaande periode de route gevolgd van vmbo via mbo naar hbo journalistiek. Binnen die journalistiek heb ik mij gespecialiseerd in religie en filosofie en ontzettend veel gelezen, ik doe qua kennis niet veel onder voor veel specialisten. Maar, en dat komt voor velen vermoedelijk als een verrassing, op het vmbo krijg je geen Latijn. En op mbo en hbo ook niet. Ik kom bijvoorbeeld deze zin tegen, met enkele Latijnse begrippen (p. 133):

            “In de theologie wordt gesproken van een drietal principia (principes of gronden) waardoor de theologie beoefend kan worden. Het principium essendi is de eerste grond van de theologiebeoefening, te weten: God zelf.”

Natuurlijk heb ik bij Nederlands iets van Latijnse enkelvouden en meervouden geleerd, dus dat principium het enkelvoud is van principia hoef je mij niet te vertellen, maar ik moet op basis van context gokken dat essendi staat voor eerste of belangrijkste. Dat denk ik tenminste. Ook heb ik geen idee tegen wat voor speculatie Dooyeweerd ageert als hij, in lijn met Calvijn, ‘waarschuwt tegen vacua et meteorica speculatio (p. 207, de betekenis ‘zinledige en hoogreikende bespiegeling’ wordt pas op pagina 307 onthuld). Veel van de ingewikkelder Latijnse termen krijgen wel vertaling, maar voor mij was het soms storend dat er voor mij teveel voorkennis gevraagd wordt. Hetzelfde gebeurt zo nu en dan met het oud-Grieks. En ik denk dat voor veel lezers van dit boek geldt dat zij geen gymnasium hebben gedaan.

De achterflap meldt: “Dit boek laat u op een heldere en toegankelijke manier kennis maken met deze denkers.” Dat klopt ook, het boek ís heel erg toegankelijk, het is heel erg leesbaar en ja, het boek heeft me nog enthousiaster gemaakt voor elk van deze denkers. Maar deze kleine details maken het net iets minder toegankelijk.

Waar de auteur verder niet zoveel aan kan doen, is waar de gebruikte citaten het boek minder toegankelijk maken. Zo is Dooyeweerd een auteur die nogal de neiging heeft om bij woorden die op zichzelf geen koppelstreepjes nodig hebben, toch koppelstreepjes te geven. Dat zie je bijvoorbeeld als hij het heeft over uit-drukkingswijze (p. 146), zin-totaliteit en zin-zijden(p. 149), heen-wijzende, on-rustige, Schepper-oorsprong (p. 157) en op veel meer plaatsen. Dit soort streepjes noemen we ook wel ‘denkstreepjes’, streepjes die niet bedoeld zijn om een tekst leesbaarder te maken, maar streepjes die bedoeld zijn om een bepaald gebruik van een woord zodanig te benadrukken dat je even stilgezet wordt. Het zijn als het ware disruptieve leestekens. And they are driving me nuts.

Zo’n auteur heeft blijkbaar een bedoeling met die leestekens, maar ze storen voor mij de leeservaring. En het doet geen goed aan de begrijpelijkheid en vlotheid van een boek. Ik snap dat het meer voor de hand ligt om teksten in vreemde talen te vertalen en in het Nederlands niets aan citaten te veranderen, maar in dit soort gevallen lijkt het me een legitieme keuze om de overmaat aan denkstreepjes danig te verminderen.

Een juist beeld

Tegelijkertijd zorgen de soms onheldere citaten van Dooyeweerd dat het licht extra helder schijnt op de heldere schrijfwijze van Hengstmengel zelf. Al was voor mij geen enkele van de besproken auteurs echt nieuw, ik schaam mij niet voor mijn belezenheid, ik kan niet anders dan een groot respect hebben voor de hoeveelheid informatie die Hengstmengel hier in zo’n beperkte hoeveelheid pagina’s weet te verwerken, een hoeveelheid pagina’s die nog eens ingeperkt wordt omdat hetzelfde register er twee keer in is afgedrukt ( 🙂 ). Daarbij zorgt hij voor een beeld dat volgens mij wel juist is, met de kennis die ik van de verschillende denkers heb. Dat Hengstmengel zo’n scherp beeld van elk van de auteurs neer weet te zetten, doet mij vermoeden dat hij veel meer gelezen heeft dan wat hij in zijn bronvermelding meldt.

Lof

Naarmate ik belezener word, beoordeel ik een boek steeds meer op dat mate waarin een auteur een boek beter schrijft dan ik het zelf had kunnen doen. Als dat het criterium is en ik zou sterren geven, dan kreeg dit boek gemakkelijk een vijf uit vijf. Het is niet volmaakt, mijn kritiek erop wordt hierboven ook wel duidelijk. Maar de hoeveelheid kritiek en lof in mijn recensie staan niet in verhouding tot de werkelijke hoeveelheid kritiek en lof, ik vind het met zoveel zeer gevarieerde informatie gewoon ontzettend lastig om een adequate samenvatting te geven van de inhoud van het boek. En daarmee wordt het ook lastig om een onderbouwde inhoudelijke beoordeling van het boek te geven. You have to take my word on this, zeg maar.

Inhoudelijk het krachtigst vind ik de zeer korte vergelijking tussen Abraham Kuyper, Herman Dooyeweerd en Alvin Plantinga in hoofdstuk vijftien. Daar haalt hij eerst kort Gerrit Glas aan over christelijke filosofie, met het onderscheid tussen filosofie met een bepaald object, een bepaalde methode of een bepaalde inspiratie, waarna hij verder gaat met Glas’ toepassing daarvan op Dooyeweerd. Dan legt hij uit dat Dooyeweerd en Plantinga inhoudelijk op veel vlakken verschillen, zoals uit de eerdere hoofdstukken ook duidelijk wordt, maar op één cruciaal punt overeen komen: dat zij een filosofie willen vormen weliswaar vanuit het christendom geïnspireerd is, maar die op eigen benen kan staan en die ook voor niet-christenen navolgbaar is.

De ‘filosofie op eigen benen’ vergelijkt hij weer met Abraham Kuyper, die veel perspectivistischer is, waardoor een serieus debat met andersdenkenden zo niet onmogelijk, toch veel moeilijker wordt. Vooral de beknoptheid van deze beoordeling is kenmerkend: Je krijgt in zo’n samenvatting een heel erg algemeen beeld van de opvattingen van de denker, een beeld dat interesse oproept, en dan gaat Hengstmengel alweer verder. Verder in dit geval met de augustijns-calvinistische traditie van ‘denken met het hart’, zoals Hengstmengel dat concludeert. Gelukkig iets minder beknopt.

In beknoptheid is de vergelijking met Hub Zwarts Boude bewoordingen interessant: Zwart schrijft een zeer beknopte studie van het zeer omvangrijke en gevarieerde oeuvre van Jan Hendrik van den Berg, Bas Hengstmengel een net zo beknopte studie van het zeer gevarieerde oeuvre van een aantal grote denkers. Beide zorgen voor de wens om van deze denkers nog meer te lezen.

bas hengstmengel, denken met het hartDenken met het hart; Christelijke filosofie in de traditie van Augustinus en Calvijn
Bas Hengstmengel
Uitgever: Buijten en Schipperheijn
356 pagina’s (daar is hier en daar wel onenigheid over, dat wijt ik voornamelijk aan dat dubbele register)
Prijs: 24,50 euro

Aan deze recensie heb ik ook een stuk vertaling van Abraham Kuypers Lectures on Calvinism verbonden. Ik vind dit boek toch vooral bedoeld om de oorspronkelijke teksten van deze denkers nog eens te lezen, oorspronkelijke teksten zijn eigenlijk altijd veel interessanter dan teksten over teksten.

Advertenties

9 gedachten over “Zeer beknopte bron van inspiratie doet verlangen naar meer”

  1. Tja, ik heb niet echt de neiging om na lezing van deze recensie meteen naar de boekhandel te hollen 😉
    Als ik een inleiding op het denken van Augustinus wil lezen (en dat wil ik best), waarom zou ik dan kiezen voor een boek waarbij ik Calvijn, Kuyper en de mij volslagen onbekende van Dooyeweerd op de koop toe moet nemen (en daar heb ik geen zin in)?.

    Dit soort streepjes noemen we ook wel ‘denkstreepjes’, streepjes die niet bedoeld zijn om een tekst leesbaarder te maken, maar streepjes die bedoeld zijn om een bepaald gebruik van een woord zodanig te benadrukken dat je even stilgezet wordt.

    Hou op schei uit, dit is precies waarom ik de meeste continentale filosofen niet kan pruimen. Die denkstreepjes geven aan dat de filosoof in kwestie opgestegen is tot in de derde hemel en daar een Bijzondere Betekenis van een menselijk woord heeft ontdekt, dat voor normale stervelingen verborgen blijft. Ik doe maar een gooi:
    “Laten we even stil staan bij het woord ‘ontmoeten’. In een werkelijke
    ‘ont-moeting’ geven we elkaar de ruimte om ons ware Zijn te ontdekken en aan het licht te brengen. Immers, ‘ont-moeten’ houdt in dat we elkaar ontslaan van de verplichting om acceptabel te zijn voor de ander en iets anders te ‘moeten’ voorstellen dan we eigenlijk zijn. In een ware ontmoeting hoeven we niets In de alledaagse ervaring vindt feitelijk het tegenovergestelde plaats, zodat de ware betekenis van het ont-moeten steeds meer verdrongen is door de wil om de ander te gebruiken om het valse zelf, dat ons macht geeft en tegelijk gevangen houdt te versterken. Waardoor een ontmoeting eigenlijk het tegenovergestelde wordt van wat het woord in diepere zin betekent.” Enzoveurts…

  2. @Flip: Bedankt dat je met 1 comment de hele geschiedenis van de continentale filosofie om zeep hebt geholpen! 🙂

    Dat je Dooyeweerd niet kent, vind ik als iemand die filosofische interesses heeft wel wat vreemd. In de gereformeerde traditie is Dooyeweerd een grote meneer. Plantinga en c.s. lopen er al geruime tijd mee weg.

    Mocht je niet naar de boekhandel willen rennen, dan kun je (tenzij je je eerst net als ik ooit moet registreren) hier kennis nemen van een ander artikel van de auteur over beide heren:

    https://www.academia.edu/3642927/Herman_Dooyeweerd_and_Alvin_Plantinga_Philosophy_and_Rationality_in_the_Reformed_Tradition

    @Evert: Ik heb, in tegenstelling tot TL (wanneer die met pensioen gaat, mag Joost weten), je artikel wel gelezen. Veel van de kwellingen (gedachtenstreepjes, eindnoten) deel ik. 😉

    In tegenstelling tot Flip vind ik het wel aardig om een boek te lezen wat een aantal lijnen samenbrengt. Ik snap de keuzes van de auteur voor deze schrijvers ook wel. Het lezen van Augustinus zelf (De stad Gods ligt nog grotendeels ongelezen boven) gaat me niet eenvoudig af. Daarvoor sta ik vermoedelijk toch net te ver van de traditie af om het interessant te vinden. Voor mijn historische interesses in de formatieve periode van de verschillende vormen van Judaisme en Christendom is het ook minder relevant. Voor de filosofie echter wel. Dus ik snap dat je dat interesseert.

  3. @Flip

    “Laten we even stil staan bij het woord ‘ontmoeten’. In een werkelijke ‘ont-moeting’ geven we elkaar de ruimte om ons ware Zijn te ontdekken en aan het licht te brengen. Immers, ‘ont-moeten’ houdt in dat we elkaar ontslaan van de verplichting om acceptabel te zijn voor de ander en iets anders te ‘moeten’ voorstellen dan we eigenlijk zijn. In een ware ontmoeting hoeven we niets. In de alledaagse ervaring vindt feitelijk het tegenovergestelde plaats, zodat de ware betekenis van het ont-moeten steeds meer verdrongen is door de wil om de ander te gebruiken om het valse zelf, dat ons macht geeft en tegelijk gevangen houdt te versterken. Waardoor een ontmoeting eigenlijk het tegenovergestelde wordt van wat het woord in diepere zin betekent.”

    *snik*
    *snotter*

    😥

  4. @Flip

    Geen idee hoe lang je met je mouw hebt zitten schudden om het eruit te krijgen, maar van mij krijg je een stickertje achter je naam met een stempeltje erop. 🙂

  5. Wilfred
    Het zal wel liggen aan het feit dat ik aan de UvA heb gestudeerd, en niet aan de VU, waar de ‘wijsbegeerte der wetsidee’ centraal stond (ben ik warm? 😉 ) . In elk geval, in geen enkel college of handboek (historisch of systematisch) werd enige aandacht aan hem geschonken. In tegenstelling tot Plantinga overigens. Van den Bergs metabletica was mij ook wel bekend.
    Tja, en ik vind de makke van een hele hoop continentale denkers dat ze allemaal hun eigen denksysteem, met hun eigen begripsdefinities en eigen conceptuele kaders, verzinnen en uitbouwen, zodat een echt systematische behandeling nauwelijks van de grond kan komen vanwege de eigenheid. Dan krijg je dit soort ‘vergelijkende’ op de denkers zelf gerichte boeken die voornamelijk de interesses van de auteur weerspiegelen. Ik denk niet dat we daar veel mee opschieten.

  6. Bij de continentale filosofische bespiegelingen rond het woordje ont-moeten, vraag ik me in gemoede af wat te doen met het woord ont-slaan…😇
    Jeuk, jeuk, jeuk…

Reacties zijn gesloten.