Bart Ehrman – How Jesus became god (3)

In het eerste deel van deze recensie hebben we gezien dat er in de tijd van Jezus veel minder dan nu een absolute scheiding was tussen het goddelijke en het menselijke, het natuurlijke en het bovennatuurlijke. In het tweede deel betoogde Ehrman dat Jezus zichzelf niet als god of goddelijk heeft gezien, maar wel als de gezalfde. Na Jezus’ dood zijn zijn leerlingen ervan overtuigd geraakt dat hij was opgestaan uit de dood. Wat deed dat met hun overtuigingen over wie Jezus was?

9780061778186Er is zoveel geschreven en gediscussieerd over wie of wat Jezus was, dat dit deelgebied van de theologie zijn eigen naam heeft gekregen: de christologie. Klassiek wordt er in de literatuur gesproken van “hoge” en “lage” christologie voor een meer verheven, goddelijk beeld van Jezus en een meer aards, menselijk beeld van Jezus. Ehrman houdt niet van deze termen, maar volgt wel min of meer deze tweedeling onder andere termen: een verhogingschristologie en een incarnatiechristologie.

Verhogingschristelogie

Een verhogingschristologie stelt dat Jezus een mens was, maar dat hij op enig moment is verhoogd tot een goddelijke status. Dit beeld vinden we terug in enkele van onze oudste bronnen, bijvoorbeeld de geciteerde geloofsbelijdenis in Romeinen 1: 3-4:

over zijn zoon,
naar het vlees voortgekomen
uit het zaad van David 

naar de Geest der heiliging
de aangestelde Zoon van God in kracht
vanuit de opstanding van doden

De tekst is wat cryptisch, maar suggereert dat Jezus bij zijn opstanding is aangesteld als Zoon van God. Dat is een logische gedachte als we er vanuit gaan dat Jezus bij zijn leven zichzelf niet als god zag en als juist zijn opstanding zo’n grote indruk heeft gemaakt op zijn leerlingen. 

Eenzelfde idee komen we tegen in de traditie die is gebruikt in de toespraak van Handelingen 13:33. Daar wordt de dag van Jezus opstanding gelinkt aan Psalm 2:7: “mijn zoon ben jíj, ikzelf heb heden
jou geboren doen worden”.

Dit standpunt komen we echter alleen in een aantal passages tegen die door auteurs worden geciteerd of verwerkt in hun eigen verhaal. Geen enkele van de nieuwtestamentische auteurs lijkt er zelf vanuit te gaan dat Jezus pas bij zijn opstanding verhoogd werd tot een goddelijke status. Bij Markus is de doop van Jezus door Johannes het cruciale beginpunt van zijn missie. Op dat moment daalt de geest van god als een duif op hem neer en wordt hij door god zijn zoon genoemd.

In Mattheüs en Lukas wordt het moment van verhoging nog vroeger geplaatst, namelijk bij zijn conceptie. De verhalen over de maagdelijke geboorte van Jezus veronderstellen echter niet dat Jezus al een bestaande persoon was zoals huidige theologie veronderstelt. Het zijn nog steeds voorbeelden van een verhogingschristologie waarbij een gewoon mens wordt verhoogd tot een goddelijke status.

Incarnatiechristologieën

Er wordt veelal een soort lineaire ontwikkeling van de christologie veronderstelt van verhoging bij zijn opstanding, naar verhoging bij zijn doop, naar verhoging bij zijn conceptie waarna men er vanuit ging dat Jezus zelfs al voor zijn conceptie goddelijk was en was geïncarneerd, letterlijk vleesgeworden, als mens. En inderdaad komen we dit denkbeeld ook tegen in ons jongste evangelie, dat van Johannes, die vertelt over het woord dat vlees is geworden.

Toch is Ehrman tijdens zijn onderzoek naar dit boek hierop terug gekomen. Zoals altijd bleek de praktijk complexer dan de overzichtelijke schema’s die we eruit zouden willen destilleren. Ehrman heeft namelijk zijn visie op de christologie van Paulus bijgesteld. Het vers waar het vooral om ging was Galaten 4:14:

als was ik een aankondig-engel van God
hebt ge mij ontvangen,
als was ik Christus Jezus!

De (Naardense) vertaling lijkt te zeggen dat Paulus was ontvangen als een engel of als Jezus zelf. Maar het Grieks suggereert een andere verhouding, namelijk dat Paulus was ontvangen als een engel zoals Jezus. Dat betekent dat Jezus hier een engel wordt genoemd door Paulus en dus pre-existent was. Dat dit past binnen Paulus denkwijze blijkt ook uit de enigszins curieuze tekst in 1 Korinthe 10:4, waarin Jezus wordt geassocieerd met de rots in de woestijn waar het volk Israël zijn water vandaan haalde.

Deze incarnatiechristologie gaat zelfs nog verder terug. Daarvoor pakken we een ander citaat uit een brief van Paulus, deze keer het lied uit Filipenzen 2:6-11. Hierin wordt gesproken over Jezus als bestaande in de gestalte van god, die zich ontledigd heeft en gelijk is geworden aan een mens.

Jezus was volgens deze passage dus een bestaand wezen dat mens is geworden. Ehrman suggereert verder dat Jezus volgens deze passage voor zijn geboorte niet gelijk was aan god de vader. Hij was niet gelijk aan god, wederom een subtiliteit in het gebruikte Grieks. Dat maakt het heel interessant wat er in de tweede helft van het lied gebeurt. Daar wordt Jezus namelijk verhoogd en wel tot een hogere status dan hij voor zijn incarnatie al had. Omdat Paulus dit allemaal citeert, moet het dus al ouder zijn dan zijn brief aan de Filipenzen. Daarmee gaat ook de incarnatiechristologie waarschijnlijk al terug tot het eerste decennium na de dood van Jezus.

Allemaal ketters!

Er zijn in het vroege christendom nogal wat verschillende stromingen geweest. Vaak is het enige wat we over ze weten wat de orthodoxe ‘ketterjagers’ over ze vertellen. In eerste instantie lijken er christologisch gezien drie problematische stromingen te zijn geweest. Aan de ene kant vormen van adoptionisme, waarin Jezus wordt gezien als een mens die was geadopteerd als gods zoon. Zij hingen dus een verhogingschristologie aan. Anderzijds had je de docetisten, die geloofden dat Jezus god was en alleen een schijnlichaam heeft gehad. Dan hebben we ook nog de gnostici die soms geloofden dat de mens en de god Jezus van elkaar gescheiden waren. Alle drie problematisch volgens de orthodoxe ketterjagers. Jezus was mens, god en één. Maar hoe dan? Ze waren immers ook monotheïsten?

Dus hoe verhielden die vader en de zoon en de heilige geest zich tot elkaar? Lange tijd was het idee populair dat de vader, de zoon en de heilige geest ook echt dezelfde persoon waren. Problematisch hiermee was niet alleen dat Jezus bijvoorbeeld bidt tot de vader (tot zichzelf dus?), maar ook dat dit betekent dat god de vader zelf heeft geleden aan het kruis. Dat idee was ondraaglijk en moest dus verworpen worden.

Wat je overhoudt als je al deze mogelijkheden wegstreept is de huidige theorie van de drie-eenheid. Maar ook daarmee waren we er nog niet. De belangrijkste controverse die nog volgde was die rond Arius. Die stelde dat Jezus niet eeuwig had bestaan. Jezus was de eniggeboren zoon van god, daarmee is er een tijd geweest voordat Jezus was geboren. Aangezien Arius Jezus ook associeerde met het woord van god en de wijsheid van god (Spreuken 8), was Jezus al aanwezig bij de schepping. Maar ook als was het voor de schepping, toch is er een tijd geweest dat god de vader alleen was, voordat Jezus was ‘geboren’. Vanwege deze theologische ruzie is de beruchte concilie van Nicea bij elkaar gekomen. Daar is bepaald dat Jezus van dezelfde substantie (homo-ousios) als god de vader was. Daarmee was Jezus definitief God geworden, niet meer goddelijk, maar de enige, monotheïstische God zelf.

Advertenties

One thought on “Bart Ehrman – How Jesus became god (3)”

  1. Mooie recensie @Bram

    Uit het feit dat men reeds in 325 nChr. aan het bakkeleien was over wie, hoe en wat, blijkt wel dat het hoogstwaarschijnlijk nooit wat zal worden in discussies tussen mensen die niet van hun standpunten kunnen/mogen/willen of durven wijken.

    Ik moest denken aan die wandtegel bij mijn schoonmoeder:
    “God heeft ons geen kalme reis beloofd maar wel een behouden aankomst…”

    Voor mij geldt meer de volgende tegelwijsheid:
    “Hij heeft ons geen groot geloof geschonken maar wel een gezond verstand….”

    Sjabba

Reacties zijn gesloten.