Dat had je gedacht!

De titel die Marc Slors aan zijn boek meegaf is al een speldenprik richting de hersenfundamentalisten. Het boek geeft een antwoord op de vraag wat we aanmoeten met de resultaten van de hersenwetenschap in het debat over de vrije wil.  Hebben de hersenfundamentalisten gelijk en kunnen we een zin van Het Goede Doel  parafraseren: één keer trek je de conclusie, de vrije wil is een illusie?

dat had je gedachtAls cognitiefilosoof aan de Raboud Universiteit Nijmegen zag Slors het debat over vrije wil zich in de afgelopen decennia ontwikkelen tot een loopgravenoorlog tussen filosofen en neurowetenschappers.  Waarbij een aantal van de laatsten beweerde dat onderzoek heeft aangetoond dat de vrije wil niet bestaat. Neurowetenschappers Dick Swaab en Victor Lamme bijvoorbeeld presenteren resultaten uit hun vakgebied als bewijs voor de illusie van de vrije wil. Maar volgens Slors is het een misvatting te stellen dat dit uit het onderzoek voortvloeit. Na lang te hebben getwijfeld, kon hij zich uiteindelijk niet meer bedwingen en schreef een boek om te verduidelijken wat nu precies de waarde is van dat onderzoek voor ons mensbeeld en hoe dat zich verhoudt tot een filosofisch begrip van een vrije wil. Hij  bouwt zijn betoog zorgvuldig op.

Compatibilisme

In het eerste hoofdstuk behandelt hij de twee voorwaarden voor het bestaan van een vrije wil. De eerste is dat we opties moeten hebben om uit te kunnen kiezen. Die voorwaarde wordt volgens velen bedreigd door het determinisme (kortgezegd: het idee dat elke gebeurtenis in deze wereld bepaald is door uitzonderingsloze natuurwetten). De zogenoemde incompatibilisten stellen zich op dit standpunt. Maar de compatibilisten denken daar anders over. Volgens hen staat determinisme niet aan een vrije wil in de weg.

Een substroming hiervan, het nieuw compatibilisme, brengt onderscheid aan tussen zogenaamde eerste- en tweede-ordeverlangens. Bijvoorbeeld het verlangen naar een sigaret (eerste orde) en het verlangen niet meer te verlangen naar een sigaret (twee orde). Wat je wil volgens deze filosofen vrij maakt, is dat het effectief geworden verlangen het verlangen is waarvan je wilt dat het effectief wordt. Als je handelt conform het verlangen waarvan je wilt dat het werkelijkheid wordt, dan handel je uit vrije wil. Het al dan niet gedetermineerd zijn van de structuur van je wil doet volgens hen niets af aan de vrijheid of onvrijheid van die wil.

De denkfout die neurowetenschappers zoals Lamme en c.s. volgens Slors maken, is dat ze lijken te veronderstellen dat alleen incompatibilisme een serieuze optie is. Maar daarmee koppelen ze de resultaten uit hun vakgebied in zijn ogen ten onrechte aan de eerste voorwaarde voor het bestaan van een vrije wil. Die onderzoeksresultaten, met name op het gebied van het onbewuste, leren ons op dat punt echter weinig nieuws. Ze spelen echter wel een behoorlijke rol als het gaat om de tweede voorwaarde: wil een handeling vrij zijn, dan moet die echt mijn keuze zijn. Handelingen zijn echt van jou als jij er de bron van bent, als je ze kunt uitleggen en rechtvaardigen, als je je ermee kunt identificeren.

Het nieuwe onbewuste

Daarover heeft het onderzoek naar het onbewuste ons veel geleerd. Onderzoekers als Libet en neurowetenschappers en psychologen die op dat onderzoek voortborduren en losjes kunnen worden aangeduid als vertegenwoordigers van een beweging genaamd het ‘Nieuwe Onbewuste’ (nieuw als in tegengesteld aan het onbewuste van Freud), hebben aangetoond dat veel van onze handelingen niet worden veroorzaakt door bewuste intenties. Voor degenen die daar in het Nederlands kennis van willen nemen, is het boekje ‘Het slimme onbewuste‘ van Ap Dijksterhuis een aanrader. Slors geeft zelf een korte weergave van die hoofdstukken:

Samengevat is de boodschap van de onderzoeken […] dat bewuste intenties noch de oorsprong, noch de oorzaak zijn van wat we doen. Het zijn bijverschijnselen van de onbewuste processen die tot ons handelen leiden. Of erger nog: het zijn achteraf gefabriceerde pogingen om die processen te begrijpen. (pag. 82)

Slors laat vervolgens zien dat het alleen juist is om te zeggen dat ik mijn handelingen niet zelf bepaal als ik samenval met mijn bewustzijn. Het syllogisme dat achter de conclusie van neurowetenschappers als Swaab en Lamme lijkt schuil te gaan, is het volgende:

  1. Ik ben mijn bewustzijn.
  2. Mijn bewustzijn bepaalt niet wat ik doe.
  3. Dus: ik bepaal niet zelf wat ik doe.

Slors gaat vervolgens na waar die gedachte “ik ben mijn bewustzijn” vandaan komt en behandelt het denken van Descartes, Locke en zijn navolgers. Hij geeft een aantal voorbeelden die aantonen dat het onjuist is om te veronderstellen dat onbewuste intenties onvrij zijn, omdat ze wel degelijk heel goed bij jou kunnen passen (de tweede voorwaarde). Het meest vergaande voorbeeld is spreken. De ik die spreekt is bij uitstek de persoon zelf. We realiseren ons dat we iets zeggen en dat we het zelf zijn die spreken, maar dat is iets anders dan dat we bewust zijn van wat we zeggen en hoe we dat zeggen voorafgaand aan het spreken zelf. Een intentioneel handelend ‘ik’ hoeft dus niet samen te vallen met bewuste intenties.

Wanneer zijn we volgens Slors dan wel onvrij? Als we dingen doen die we niet kunnen uitleggen en waarmee we ons niet willen identificeren. Dat kan zowel over bewuste als onbewuste zaken gaan. Peer pressure kan leiden tot een bewuste handeling die niet vrij geschiedt. Dwangstoornissen en wilszwakten zijn daar ook voorbeelden van.

Waarden

Hij behandelt dan een aantal theorieën waarin wordt uitgelegd waarom we ons identificeren met bepaalde handelingen en met andere niet. Bijvoorbeeld die van filosoof Harry Frankfurt die betoogt dat tweede-ordeverlangens speciaal zijn omdat het de verlangens zijn waarmee we ons identificeren. Zonder dat er een derde-ordeverlangen aan te pas komt, beschouwen we die verlangens als onderdeel van ons zelf, van onze identiteit. Misschien, zo geeft Slors aan, kunnen die tweede-orde verlangens beter worden vervangen door de term ‘waarden’.  In dat verband brengt hij ook het werk van Charles Taylor ter sprake.  Kort gezegd wordt wie ik ben voor hem bepaald door waar ik sta in de morele ruimte. Taylor geeft aan dat dit ‘zelf’ tot stand komt door waarden, de doelen die ik mezelf stel maar ook de verzameling korte- en langetermijnprojecten die daardoor bepaald worden.  Omdat dit onderhevig is aan verandering, spreekt Taylor van een narratief zelf.

Samenvattend: hoe moeten we het verschil tussen zelf handelen en buiten onszelf handelen nou duiden? Slors geeft een provisorisch antwoord:

Een handeling is de mijne als deze past bij wat karakteristiek is voor mij, bij mijn karaktertrekken, bij mijn zelfgekozen idealen, mijn projecten en plannen, bij de waarden die ik aanhang en meer algemeen als die handeling in lijn is met het verhaal waarmee ik mezelf begrijp. (pag. 114)

Op dit punt kunnen we een conclusie trekken: we handelen vaak wel uit vrije wil, want we hebben vaak meerdere opties om uit te kiezen en we kunnen ons vaak met onze keus identificeren. De hersenfundamentalisten hebben dus ongelijk als ze beweren dat vrije wil een illusie is. Maar hun onderzoeksresultaten leren ons wel het nodige over ons handelen. In de rest van zijn boek probeert Slors uit te leggen hoe die resultaten bij kunnen dragen aan een beter begrip van het samenspel van (on)bewustzijn en handelen. Daarbij is het volgens hem goed om onderscheid te maken tussen korte- en langetermijnintenties.

Intenties

Het samenspel tussen bewuste en onbewuste hersenprocessen is volgens hem complexer dan we ons vaak realiseren. Onze langetermijnintenties zijn meestal bewust en vaak effectief, maar de uitvoering daarvan gebeurt vaak onbewust. Om het onderscheid tussen het soort bewustzijn dat bij korte- en langetermijnintenties betrokken is duidelijker te maken, legt hij het verschil uit tussen wat hij ‘introspectief bewustzijn’ van een intentie noemt (bewustzijn van het feit dat je van plan bent dit of dat te doen) en ‘reflectief bewustzijn’ (de capaciteit om te reflecteren op je ervaringen en om na te denken en te plannen). In het ene geval registreer je een intentie, in het andere produceer je die.  Hoewel de bewuste (langetermijn)intenties zonder twijfel vaak opkomen uit onbewuste processen, vormen zij niet de oorzaak van alles wat je op een later moment doet. Het is immers nog niet duidelijk wat je gaat doen. Bewuste reflectie kan dus heel goed bepalend zijn voor wat we op een later moment gaan doen.

In de laatste hoofdstukken legt Slors onder andere uit hoe langetermijnintenties handelingen kunnen veroorzaken. Heel kort samengevat komt dat doordat we ons onbewuste ‘ik’ daarmee ‘programmeren’. Die bewuste intenties zijn structurerende oorzaken van ons handelen, geen directe oorzaken. Volgens Slors laat het inzicht dat het vormen van langetermijnintenties een vorm van zelf-programmering is, goed zien dat we misschien anders in elkaar zitten dan we misschien dachten, maar niet dan we onszelf ervaren. We moeten daarmee echter wel wat hij een “overgeïntellectualiseerd beeld van onszelf als bewuste veroorzaker van ons gedrag” noemt, bijstellen.

Vrijheid

Concluderend: een overtuigend boek. Slors schrijft helder en bondig en blijft tot het einde boeien. Ik was zelf al bekend met het werk van Dijksterhuis, Swaab en Kahneman, dus bepaalde onderdelen waren voor mij niet nieuw. Desondanks heb ik geen moment de neiging gehad gedeelten over te slaan. Dat is een compliment waard. Ook zijn poging het beste van twee werelden te verenigen (de filosofie en de hersenwetenschap), lijkt goed gelukt.

Ik heb er voor gekozen om met name zijn argumenten tegen de stelling van neurowetenschappers over de vrije wil te belichten, omdat dat voor mij best een eye-opener was. Het laatste gedeelte van zijn boek zou een afzonderlijke bespreking verdienen, of beter nog: ga het zelf lezen!

Is er dan geen kritische noot te kraken? Wat mij betreft zou hij het onderscheid tussen het denken over het zelf als entiteit (wat we af zouden moeten wijzen) en als identiteit (wat we zouden moeten omarmen) en zijn beschouwing van vrijheid als authentiek handelen  breder moeten uitwerken (zoals hij zelf trouwens ook erkent), hetgeen echter een ander boek zou vergen.

Hierbij dan een oproep: twijfel niet te lang over het schrijven van dat volgende boek, Marc Slors!

Advertenties

19 gedachten over “Dat had je gedacht!”

  1. Interessant, ik heb dwang om heel bewust te denken, en die dwang gaat dan weer ongecontroleerd.
    Dus het is normaal dat je weinig bewust bent van wat je allemaal denkt?
    Interessant boek!

  2. Goed dat dit boek weer eens wordt belicht. Het is een boek dat vanwege de genuanceerde positie amper het nieuws haalt, en dat terwijl Slors uiterst vakkundig en met overtuigende argumenten de posities van Lamme en Swaab – de hogepriesters van het nieuwe neurodeterminisme – ontluistert. Ik heb het boek eind 2012 al op mijn weblog besproken (https://tasmedes.wordpress.com/2012/11/22/marc-slors-over-vrije-wil-bewustzijn-en-hersenwetenschappen-boekbespreking/). Er staan overigens nog wel wat kleine foutjes in (bijv. de positie van Harry Frankfurt wordt onjuist door Slors samengevat), die bij een volgende, herziene druk zouden worden gecorrigeerd. Ik weet niet of die druk ondertussen al verschenen is?

  3. @Taede
    Leuk dat je hier reageert. Ik heb regelmatig rondgestruind op je blog. Het staat er vol met interessante recensies!

  4. Over de vrije wil discussie en determinisme: ik kan me een gedetermineerde wereld persoonlijk veel beter voorstellen dan een niet gedetermineerde wereld (hoewel we natuurlijk niet weten of de wereld wel of niet gedetermineerd is). Ik kan me gewoon niet voorstellen hoe je onafhankelijk van je omgeving, eigen persoonlijkheid enz. keuzes zou kunnen maken. Dat zou volgens mij duiden op een gevolg zonder oorzaak: de doorbreking van causaliteit, waar ik me helemaal niets bij kan voorstellen. Soms wordt de kwantumonzekerheid erbij gehaald om een mate van vrije wil te beargumenteren, maar volgens mij gaat dat over een ander orde verschijnsel, dat op de schaal van neuronen van geen enkele invloed kan zijn.

    Omdat we nooit alle informatie over de werkelijkheid tot onze beschikking kunnen hebben, onze omgeving continu veranderd, enz. blijft de wereld altijd onvoorspelbaar voor ons. Ook maken we zelf deel uit van de causale orde, waardoor we ons nooit los kunnen denken van die causaliteit: nadenken over vrije wil en determinisme maakt ook onderdeel uit van de reeks van oorzaken en gevolgen in mijn brein. Misschien is het wel zo dat alles in mijn leven maar op één manier kan verlopen. Maar dan nog steeds moet ik alles doorleven, wikken en wegen over keuzes, op dingen gewezen worden door vrienden, enz. Alleen voor een buitenstaander met alle informatie over de wereld zou alles voorspelbaar zijn.

    Het ‘enige’ probleem van een meer gedetermineerd gesloten wereldbeeld zie ik in het mogelijk interacteren van een God in de wereld. Toch kan ik me bij het tegendeel ook weinig voorstellen: dat God de keten van oorzaken en gevolgen doorbreekt en er een gebeurtenis/verandering tussenin plaatst, waarna de boel weer verder draait zoals we gewend zijn (opstanding?). Maarja, als je gelooft in wonderen, geloof je dat die per definitie niet te begrijpen zijn.

  5. @Taede: Helemaal met je eens, dat is ook de reden dat ik voor heb gekozen om er hier nog een keer aandacht aan te besteden. Ik heb het boek via een link naar je site opgepikt en aangezien het raakvlakken heeft met onderwerpen die in de reacties wel eens de revue passeren, leek het me goed om de hoofdlijn samen te vatten.

    Ik ben zelf niet echt bekend met het werk van Frankfurt, dus ik heb het niet opgemerkt. Ik heb de tweede oplage, maar ik vermoed dat daarin dan nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden. Wat stond er onjuist in over Frankfurt dan?

    @Antoon: Het is echt de moeite van het lezen waard. Als je snel wat wilt weten over het onderzoek naar de rol van het onbewuste is het boekje van Ap Dijksterhuis ook prima te lezen.

  6. @Wilfred

    Desondanks heb ik geen moment de neiging gehad gedeelten over te slaan. Dat is een compliment waard.

    Dat is in jouw geval zeker een compliment waard. Jouw gewoonte om boeken maar deels te lezen en dan weer over te stappen zit inmiddels zo ingesleten dat het je een uiterste krachtsinspanning moet hebben gekost om dat te onderdrukken 😉

    Mooie recensie trouwens. Aangezien ik me prima thuisvoel bij het compatibilisme, ben ik met je eens dat dat verhaal ook wel eens wat aandacht verdient.

    Toch vind ik de kritiek op de hersenfundamentalisten ook wel weer een beetje makkelijk. Want het compatibilisme is uiteindelijk toch ook een soort herdefiniëring van wat de term ‘vrije wil’ inhoudt. Opeens heeft het niets te maken met vrijuit kunnen kiezen uit verschillende opties, maar alleen nog maar met het je kunnen identificeren met het keuzeproces.

    En dan kom je met je andere definitie aan dan Swaab gebruikt en ga je hem vertellen dat hij een denkfout maakt… In mijn interpretatie maakt Swaab voornamelijk hetzelfde punt als Dijksterhuis maakt. Het gebeurt allemaal (veelal onbewust) in je brein in plaats van dat je zelf een bewuste keuze maakt met je res cogitans.

    Nogmaals, het verhaal van Slors ligt als ik het zo goed lees dicht aan tegen mijn eigen ideeën, maar ik zie de grote tegenstelling met Swaab niet zo heel erg.

  7. @Bram:

    Dat is in jouw geval zeker een compliment waard. Jouw gewoonte om boeken maar deels te lezen en dan weer over te stappen zit inmiddels zo ingesleten dat het je een uiterste krachtsinspanning moet hebben gekost om dat te onderdrukken 😉

    lol 🙂 En toch ging het vanzelf en binnen een paar dagen had ik het grotendeels uit. Het is echt goed leesbaar.

    Want het compatibilisme is uiteindelijk toch ook een soort herdefiniëring van wat de term ‘vrije wil’ inhoudt. Opeens heeft het niets te maken met vrijuit kunnen kiezen uit verschillende opties, maar alleen nog maar met het je kunnen identificeren met het keuzeproces.

    Herdefiniering (sorry, de leestekens blijven een probleem 😉 )?
    Op basis waarvan mocht een eerdere definitie zich dan in onverdeelde instemming verheugen? 😉

    Slors anticipeert o.a. al op die kritiek door zijn nadruk op waar het in zijn ogen fout gaat in het denken van Swaab en Lamme: doordat ze lijken te veronderstellen dat het bewuste op geen enkele substantiele wijze bijdraagt aan ons handelen. Het probleem zit hem in het (vaak onuitgesproken) syllogisme. Voor een volledige weging van wat hij aandraagt zou je dus eigenlijk ook meer over het laatste deel van het boek moeten weten. Versie 2 dan maar? 😉

    En hij geeft aan dat er niet zoiets is als ‘de’ vrije wil. Ik heb daarom in de beschrijving van zijn positie zoveel mogelijk (dat is vast niet overal gelukt) het bepalende lidwoord vermeden.

  8. @ Wilfred

    Op basis waarvan mocht een eerdere definitie zich dan in onverdeelde instemming verheugen? 😉

    Heb je een punt. Swaab et al definiëren niet precies wat ze bedoelen met vrije wil. Maar het naïeve gebruik van de term gaat toch over het hebben van keuzevrijheid zoals Slors in het begin van zijn boek ook aangeeft.

    Slors komt op een compatibilstisch standpunt uit door te stellen dat vrije wil niet gaat over keuzevrijheid, maar over het maken van eigen keuzes. Dat vind ik toch net iets anders…

    Slors anticipeert o.a. al op die kritiek door zijn nadruk op waar het in zijn ogen fout gaat in het denken van Swaab en Lamme: doordat ze lijken te veronderstellen dat het bewuste op geen enkele substantiele wijze bijdraagt aan ons handelen.

    Ik weet ook niet of ik het eens ben met deze stelling. Hij stelt volgens mij eerder dat alles via causale processen in de hersenen gebeurt en er dus helemaal geen sprake is van keuze. Ik herinner me volgens mij niets over een onderscheid tussen het bewuste en het onbewuste in relatie tot de vrije wil. Maar goed, het is al weer een tijdje geleden dat ik ‘wij zijn ons brein’ heb gelezen. Misschien interpreteer ik hem te welwillend.

    Voor een volledige weging van wat hij aandraagt zou je dus eigenlijk ook meer over het laatste deel van het boek moeten weten.

    En ik dacht nog wel dat ik nu het boek niet meer zelf hoefde te lezen… ik zal hem dan maar op mijn lijstje zetten 😉

  9. @Bram: Ik wil best een samenvatting van de laatste hoofdstukken maken, hoor. Slors 2.0. 😉

    Ik heb Swaab er zelf niet meer op nageslagen, misschien wel goed om toch even te doen. Hij is in het boek trouwens meer in gesprek met Lamme dan met Swaab als het om vrije wil gaat. Overigens zegt Slors vanaf het begin dat beide elementen van belang zijn om te kunnen spreken van handelen uit vrije wil. Dus zowel het hebben van keuzemogelijkheden als dat iets bij jou moet passen. Ik denk dat die tweede voorwaarde niet onredelijk is en zeker geen pure sofisterij.

  10. @Wilfred
    Gaat Slors eigenlijk ook nog verder in op hoe de hersenen het bewustzijn tot stand brengen, het mind-body probleem? In je recensie lees ik dat hij er vooral op ingaat op de functie van bewustzijn in relatie tot de vrije wil.

    Het lijkt mij verder een vrij vruchtbare manier van denken wat de functie van bewustzijn zou kunnen zijn in de evolutionaire ontwikkeling van het leven / de mens. Gaat hij daar nog op in?

  11. @gansanders: Het mind-body probleem wordt niet aangeroerd. Dat is denk ik ook meer het terrein van mensen zoals Graziano (over wiens boek ik over misschien een maand of twee of zo een recensie hoop te schrijven).

    Ergens in het boek komt nog wel een stukje voor over de reden van de evolutie van bewustzijn. Ik zal proberen dat morgen er nog even bij te zoeken. Echt diep gaat hij ook daar trouwens niet op in. Het is meer een poging om over een aantal verschillende hersenprocessen (bewust/onbewust, langetermijnintenties/kortetermijnintenties) iets te zeggen qua onderlinge verbanden en hoe het een het ander wellicht beinvloedt.

  12. @Bram: Wat betreft Swaab: in zijn boek “Wij zijn ons brein” schrijft hij:

    In de filosofie is er geen overeenstemming over wat vrije wil nu eigenlijk is. Vaak worden er in discussies over de vrije wil drie zaken genoemd. In de eerste plaats dat een handeling pas vrij is als je deze ook niet had kunnen doen (je moet alternatieve mogelijkheden hebben). Een tweede punt is dat de handeling met een reden verricht moet zijn. Een derde kenmerk van de vrije wil zou zijn dat je het idee hebt dat je de handeling echt uit jezelf verricht. Maar dat is natuurlijk slechts een idee.

    Iets verder:

    De huidige kennis van de neurobiologie maakt duidelijk dat van een volledige vrijheid geen sprake kan zijn.

    (pag. 380)

    En later:

    Maar voor een bewuste vrije wil is er bij al die onbewuste beslissingen geen plaats. Dat heeft grote consequenties, want wanneer wij iemand verantwoordelijk stellen voor zijn daden, dan gaan wij uit van de vrije wil, die in ieder geval voor een belangrijk deel van ons handelen niet bestaat.

    (pag. 385)

    Even los van de stropop dat je volledig vrij zou moeten kunnen zijn om zinvol over een vrije wil te kunnen spreken of die waarbij je bewustzijn zelf eerst in de definitie van vrije wil fietst om vervolgens te concluderen dat dat in veel gevallen niet opgaat, denk ik dat hij toch al met al te weinig ruimte laat voor wat Slors de bewuste ‘programmering’ van ons brein noemt en de structurerende oorzaak van die bewuste processen. En dat leidt hem tot een heel andere en veel verdergaande vorm van determinisme dan die waar in- of compatibilisten zich druk over maken.

    In veel gevallen boeit het ons natuurlijk niet of iemand iets bewust of onbewust deed. Niemand gaat b.v. vrijuit als hij onbewust door rood rijdt. Hij doet ook net alsof de foetus in het begin van de zwangerschap het meest vrije mensje is (maar die kan daar dan niet naar handelen omdat, helaas helaas, zijn zenuwstelsel nog onvoldoende ontwikkeld is). Dat soort opmerkingen doen mij toch een beetje denken dat hij onvoldoende over de complexiteit van dat begrip heeft nagedacht en te gemakkelijk andere neurologen of psychologen napraat als hij claimt dat hun beperkte onderzoeken met vaak relatief eenvoudige taken of gedragingen aantonen dat de vrije wil een illusie is die het bewustzijn ons achteraf schenkt.

  13. @Wilfred
    Toch ook ‘wij zijn ons brein’ er maar bij gepakt. Volgens mij zijn er drie belangrijke citaten. De eerste twee geef jij ook al en zijn van p380. Swaab geeft aan dat er geen overeenkomst is over de definitie en dat “van een volledig vrije wil geen sprake kan zijn” (cursivering van Swaab). Dat is aan het begin. In de laatste paragraaf van het hoofdstuk concludeert hij:

    Kunnen we ons er niet beter bij neerleggen dat een volledige ‘Vrije Wil’ een illusie is?

    Je kan dit op twee manieren interpreteren. Ten eerste kan hij vechten tegen een stropop en het zichzelf dus lekker makkelijk maken. Dit is jouw interpretatie en als dit een academisch boek zou zijn geweest, dan zou ik daar denk ik in meegegaan zijn.

    Maar het is een boek voor een breed publiek, en daar wordt soms echt zo gedacht over een volledig vrije wil. Daarom is het geen stropop, maar voor de maatschappelijke discussie een belangrijke nuancering van een veel voorkomend standpunt.

    Let ook op het feit dat hij nergens zegt dat er geen sprake is van vrije wil. Hij geeft alleen maar aan dat er sprake is van beïnvloeding van buitenaf van onze keuzes en dat er dus geen ‘volledig vrije wil’ bestaat.

    denk ik dat hij toch al met al te weinig ruimte laat voor wat Slors de bewuste ‘programmering’ van ons brein noemt en de structurerende oorzaak van die bewuste processen.

    Volgens mij gaat hij daar expliciet op in in sectie xviii.2 (p 382-285) of als hij bijvoorbeeld op p 387 spreekt over bewust leren autorijden waarna je dat onbewust ook kan.

    In de passage die jij citeert gaat hij ook niet verder dan stellen dat het feit dat het onbewuste zo belangrijk is grote consequenties heeft, “want wanneer wij iemand verantwoordelijk stellen voor zijn daden, dan gaan wij uit van de vrije wil”.

    Er valt nog veel meer over te zeggen, maar je hebt het over een hoofdstuk van 15 pagina’s dat niet veel meer doet dan uitleggen dat het naïeve idee van de vrije wil beter doordacht moet worden.

    Hij doet ook net alsof de foetus in het begin van de zwangerschap het meest vrije mensje is

    Waar haal je dit vandaan? Niet uit hoofdstuk 18 toch? Daar kan ik het in ieder geval niet terugvinden.

    Concluderend. Het hoofdstuk van Swaab over de vrije wil is inderdaad wat mager, maar in mijn interpretatie is hij genuanceerder dan dat Slors en zeker Taede Smedes hem doen overkomen. Over stropop gesproken…

  14. @Bram:

    Maar het is een boek voor een breed publiek, en daar wordt soms echt zo gedacht over een volledig vrije wil. Daarom is het geen stropop, maar voor de maatschappelijke discussie een belangrijke nuancering van een veel voorkomend standpunt.

    Nou, breed publiek? Hoeveel mensen die er de zienswijze op na houden (dat je een volledig vrije wil zou hebben) denk je dat dit boek zouden kopen? 🙂

    Let ook op het feit dat hij nergens zegt dat er geen sprake is van vrije wil. Hij geeft alleen maar aan dat er sprake is van beïnvloeding van buitenaf van onze keuzes en dat er dus geen ‘volledig vrije wil’ bestaat.

    Zeker, maar hij zegt ook nergens wat hij dan nog wel aan ruimte ziet voor een vrije wil. Sterker nog, alle voorbeelden die hij aandraagt wijzen volgens hem (al dan niet terecht) op het tegengestelde en hij beaamt de conclusie van onderzoekers die stellen dat een vrije wil een illusie is. Het is dan denk ik niet vreemd dat mensen de conclusie trekken dat volgens Swaab een vrije wil niet bestaat. Niettegenstaande die nuancering.

    Volgens mij gaat hij daar expliciet op in in sectie xviii.2 (p 382-285) of als hij bijvoorbeeld op p 387 spreekt over bewust leren autorijden waarna je dat onbewust ook kan.

    Zeker, maar vervolgens verwerkt hij dat op geen enkele wijze in zijn conclusie. Ik kan met dat hoofdstuk daardoor eigenlijk helemaal niks. Ik weet aan het begin niet wat hij precies onder een vrije wil verstaat, bepaalde denkbeelden uit de filosofie zet hij met 1 zinnetje weg (“Maar dat is natuurlijk slechts een idee.”) en hij is het eens met onderzoekers die stellen dat de vrije wil slechts een illusie is. Dan houdt hij volgens mij dus in zijn conclusie aantoonbaar onvoldoende rekening met die elementen die het onbewuste beinvloeden. Ondanks dat hij er wel over schrijft.

    Waar haal je dit vandaan? Niet uit hoofdstuk 18 toch? Daar kan ik het in ieder geval niet terugvinden.

    Zeker wel, pagina 382:

    De paradox dringt zich dus op dat de enige die, afgezien van zijn genetische beperkingen, nog een beetje vrij is, de foetus in het begin van de zwangerschap is. Die kan echter met die beperkte vrijheid niets doen omdat het zenuwstelsel nog te onrijp is.

    Ook dit citaat is m.i. een bewijs van het gegeven dat Swaab eigenlijk van mening is dat je als mens zodanig gedetermineerd bent dat van een vrije wil niet zinvol kan worden gesproken. Zoals in de laatste zin van die alinea ook blijkt:

    Ons laatste restje vrijheid is dan inmiddels ook al ingeperkt door wat we van de maatschappij niet mogen doen of moeten laten.

    Concluderend. Het hoofdstuk van Swaab over de vrije wil is inderdaad wat mager, maar in mijn interpretatie is hij genuanceerder dan dat Slors en zeker Taede Smedes hem doen overkomen. Over stropop gesproken

    Die opmerking over de stropop kwam van mij, omdat m.i. een aantal van zijn beweringen dat zijn. Slors haalt met name dat ene zinnetje aan waarmee Swaab een belangrijke filosofische notie aan de kant zet. Volgens mij slaat zijn analyse van het syllogisme wat Swaab en Slors impliciet aanvaarden, de spijker redelijk op zijn kop. Misschien zit dat deels ook wel opgesloten in wat Swaab op pag. 380 het tweede kenmerk van een vrije wil noemt (“de handeling met een reden verricht moet zijn”). Dat lijkt immers bij Swaab bewustzijn te vooronderstellen.

  15. @Wilfred

    Zeker wel, pagina 382:

    Daar heb ik dus helemaal overheen gelezen gisteren. Is inderdaad niet fraai.

    Dat is het hoofdstuk sowieso niet echt, ook dat ben ik met je eens. Maar ik ga toch een beetje tegensputteren als ik het gevoel heb dat van Swaab eerst een stropop wordt gemaakt om hem nog makkelijker af te kunnen schieten. En als Taede hem “de hogepriesters van het nieuwe neurodeterminisme” noemt, dan klopt dat gewoon niet.

  16. @Bram: Maar die passage rondom dat stukje over de foetus zegt toch min of meer dat we in allerlei opzichten gedetermineerd zijn en dus (volgens hem) geen vrije wil hebben? In welke zin is “neurodeterminisme” dan onjuist?

    En als het gaat om stropop: als je betoogt dat we mensen alleen verantwoordelijk houden als ze bewust dingen doen, dan is dat toch evident onjuist? Misschien is “stropop” in dat verband niet de juiste term, maar het is wel een kwestieuze redenering die veronderstelt dat we alleen kunnen spreken van een vrije wil als we bewust handelen.

  17. In een dergelijk artikeltje kan je natuurlijk niet veel, maar ik vind Slors toch een stuk beter dan Sonneveld, omdat Slors ingaat op de vraag wat we precies onder vrije wil verstaan. En wat blijkt: zelfs als de wereld gedetermineerd zou zijn (en dus al mijn gedachten het resultaat van natuurkrachten zijn), dan nog blijft datgene bestaan wat we meestal onder vrije wil verstaan. Sonneveld lijkt nog te geloven in de onnodige tegenstelling tussen determinisme en vrije wil.

    Maar los van dat alles heeft hij gelijk dat de experimenten van Libet maar een beperkte zeggingskracht heeft.

Reacties zijn gesloten.